Meerdere keren liep ik vast in mijn leven en steeds was daar de poëzie om iets in me wakker te maken, op te lichten, te doorzien.
Halverwege mijn twintiger jaren werkte ik in mantelpak in Amsterdam Zuidoost en had wat je nu waarschijnlijk een burnout zou noemen. In het boek De zin van ziek zijn vond ik een gedicht van soefi-mysticus Inayat Khan met de zin: Aan het eind gekomen besef ik dat ik in alles ben en alles in mij is. Het gaf me onverwacht een inkijk in de oneindige ruimte waarin alles aanwezig is. Wat een bevrijdend perspectief. Het opende een pad voor me èn wakkerde mijn liefde voor poëzie verder aan.
Gedichten zijn ideale wegwijzers met hun wijsheid en richting in verdichte vorm. In een paar regels wordt iets essentieels zichtbaar waar we mee verder kunnen. Rumi gebruikt de poëzie zelf ook als metafoor: Let yourself become living poetry. Een uitnodiging om vrij tot uitdrukking te brengen wat door ons geleefd wil worden.
Omdat ik regelmatig afdwaal en mezelf dan steeds weer op dezelfde plekken terugvind, zijn er wegwijzers waar ik als vanzelf vaak langskom : -) Een daarvan is dit bekende soefi-gedicht:
Kom, kom, wie je ook bent
schande is hier onbekend
al zwoer je duizend eden die je keer op keer weer brak
kom, blijf komen, kom
dolende, ootmoedige, onthechte vreemdeling, kom
zwerver, minnaar, liefhebber van het heengaan, het maakt niet uit
wij zijn geen karavaan van wanhoop
al heb je je belofte duizend keer gebroken
kom, kom opnieuw, kom.
Deze tekst lezen is voor mij elke keer weer bevrijdend. Er is geen verkeerde weg. Het falen, dwalen en tekortschieten vormen onderdeel van dezelfde beweging. Het maakt niet uit. Wij zijn geen karavaan van wanhoop. In een andere vertaling staat: onze deur is niet de deur van wanhoop. Beide hebben iets verwelkomends. Duizend keer opnieuw binnen mogen komen. Thuiskomen, bij God, bij je eigen wezen. Je kunt niet buiten genade vallen.
Een andere favoriete wegwijzer is het gedicht Wild Geese (het heeft geen officiële Nederlandse vertaling) van de Amerikaanse Mary Oliver. Haar poëzie over de schoonheid van de natuur ademt de essentie van bestaan en spiritualiteit. De eerste regel van het gedicht is meteen doorsnijdend: You do not have to be good. Diepe inademing, ruimte.
Wild Geese
You do not have to be good
you do not have to walk on your knees
for a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about your despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes
over the prairies and the deep trees
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely
the world offers itself to your imagination
calls to you like the wild geese, harsh and exciting –
over and over announcing your place
in the family of things.
Oliver maakt korte metten met het hardnekkige patroon dat we eerst meer, beter, verder moeten zijn voordat we werkelijk kunnen ontspannen in het hier en nu. En: er is geen schuld, schaamte of boetedoening nodig. We mogen eenvoudigweg doen waar we van houden. Ondertussen ontvouwt de wereld zich voor ons, hoe eenzaam we ons misschien soms ook voelen, en kondigt steeds weer onze plek aan in de natuurlijke orde. De wilde ganzen wijzen de weg naar huis.
Als we ons openen voor de boodschap in deze gedichten, blijft over deze vraag van Mary Oliver:
Tell me, what is it you plan to do
with your one wild and precious life?
De afbeelding is van Javier Allegue Barros op Unsplash